Ilse Bats
23 sep 2026

"Je voelt: hier gaat iets gebeuren"

Een interview met Frits van Oostrom over inspirerend taal- en leesonderwijs
Hoe krijg je leerlingen zover dat ze niet alleen een moeilijke literaire tekst lezen, maar deze ook echt proberen te begrijpen? Bij Scholen Da Vinci in Sint-Niklaas gebeurt dat in een uitgebreid traject rond Hadewijch. Leerlingen onderzoeken teksten vanuit verschillende invalshoeken en sluiten het traject af met een masterclass van literatuurwetenschapper Frits van Oostrom. Frits vertelde ons hoe deze aanpak volgens hem vooral toont wat er mogelijk wordt wanneer bevlogen docenten ruimte krijgen om leerlingen mee te nemen in hun vak.
Ilse Bats

De samenwerking tussen Van Oostrom en Da Vinci begon opvallend eenvoudig: met een e-mail van leraar Peter, die De Reynaert van Frits had gelezen. Peters belangstelling ging echter verder dan het middeleeuwse dierenepos. In het boek herkende hij ook ideeën over de plaats van literatuur en de geesteswetenschappen in samenleving en onderwijs. Dat leidde oorspronkelijk tot een tweedaagse masterclass rond Reynaert, Maerlant en de geesteswetenschappen. Toen Van Oostrom later opnieuw werd gevraagd, wilde hij liever werken rond het onderwerp waar hij zelf op dat moment helemaal in zat: Hadewijch. Samen met een bijdrage van Gruuthuse-kenner Frank Willaert groeide zo een nieuw tweeluik. 

Die ontwikkeling zegt iets wezenlijks over de aanpak: het programma volgt geen vast recept, maar groeit uit echte inhoudelijke belangstelling. Van Oostrom verwoordt het eenvoudig: ‘Ik geloof er erg in dat mensen het best lesgeven over dingen waar ze echt iets mee hebben. Leerlingen merken het wanneer iemand spreekt over een onderwerp waarvoor hij of zij werkelijk passie voelt’.  

Moeilijk mag 

Hadewijch was echter geen vanzelfsprekende keuze. “De Reynaert geeft zich betrekkelijk makkelijk bloot”, vertelt Frits. Hadewijch is een grotere uitdaging: een dertiende-eeuwse mystica wier taal, leefwereld en geloofsbeleving ver afstaan van die van hedendaagse zeventienjarigen. Maar juist daarin schuilt volgens Van Oostrom ook de waarde. Literatuur hoeft niet alleen een spiegel te zijn waarin leerlingen zichzelf onmiddellijk herkennen. Ze kan ook een ontmoeting mogelijk maken met iemand die ver van hen afstaat. ‘Het is goed, denk ik voor mensen en misschien zelfs voor de mensheid om af en toe je best te doen om een ander, ook al staat die ver van je af, een beetje te begrijpen’, verklaart Van Oostrom. 

Door langer bij Hadewijch stil te staan, ontstaan verbindingen die de historische afstand niet wegnemen, maar wel overbruggen. Thema’s als de positie van vrouwen in de kerk, vernieuwing in geloof en samenleving, de rol van zang en literatuur en, bovenal, de liefde blijken verrassend veel aanknopingspunten te bieden. Leerlingen ontdekken zo dat een oude tekst niet per se actueel hoeft te worden gemaakt door hem naar hun eigen leefwereld te vertalen. Relevantie en zelfs urgentie kunnen ook ontstaan wanneer je een onbekende wereld eerst zorgvuldig leert begrijpen en je vervolgens afvraagt wat die wereld ons vandaag te zeggen heeft. 

Leren kijken 

De uitdaging wordt daarbij niet bij de leerling neergelegd en vervolgens aan het toeval overgelaten. De klas werkt vooraf intensief met de tekst in vakken als Nederlands, filosofie en wiskunde. Leerlingen formuleren een eerste reactie en lezen vervolgens vanuit filologie, close reading, intertekstualiteit, historische context en handschriftkunde. Van Oostroms masterclass voegt daar het grotere verhaal aan toe. Zijn driedeling ‘Wereld – Werk – Wij’ brengt eerst Hadewijchs omgeving in beeld, richt daarna de aandacht op haar brieven, gedichten en visioenen, en eindigt bij de vraag wat lezers van nu ermee doen. Van Oostrom benadrukt dat die voorbereiding belangrijk is.  

Tekst en context vormen zo een tweeluik. De close reading komt sterk vanuit het schoolteam; Van Oostrom brengt zijn kennis van de wereld rond de tekst mee. Samen leren ze leerlingen niet alleen meer over Hadewijch. Ze oefenen ook een bredere houding: geconcentreerd kijken, details opmerken en een eerste interpretatie durven herzien. “Die concentratie en aandacht voor de kleine dingen en de details”, zegt Van Oostrom, “dat lijkt me een hele goeie competentie.” 

De leraar is de methode 

Een bekende schrijver of wetenschapper in de klas kan indruk maken. Toch is dat niet de kern van dit praktijkvoorbeeld. Van Oostrom benadrukt zelf dat zijn bijdrage tijdelijk is: ‘Ik kom alleen maar even langs.’ De echte kracht zit bij de leraren – Ann, Bas, Isar, Peter… – die het programma ontwerpen, leerlingen voorbereiden, teksten selecteren, gesprekken voeren en ervaringen met elkaar delen. 

Die voorbereiding maakt het verschil. Leerlingen stappen niet onvoorbereid een masterclass binnen, maar brengen al vragen, voorkennis en leeservaring mee. Daardoor kan Frits verder gaan dan een algemene introductie. Omgekeerd geeft de ontmoeting met een onderzoeker de lessen een ander perspectief. De leerlingen ontmoeten iemand die beroepsmatig met teksten bezig is en ervaren van dichtbij hoe onderzoek werkt. Ook voor een expert blijven teksten vragen oproepen. Zo wordt wetenschappelijk werk zichtbaar als een praktijk van nieuwsgierigheid, kennis en volgehouden aandacht. 

Achter die bijzondere ontmoeting staat dus steeds het werk van de leraar. “De leraar is de methode”, vertelt Frits. Op Da Vinci zag hij die gedachte overal terug: in de vrijheid die leraren krijgen om een eigen programma op te bouwen, in de manier waarop ze met leerlingen omgaan en zelfs in het lokaal. Dat deed hem denken aan een klein theater: “Je voelt: hier gaat iets gebeuren, hier is sfeer. Dit heeft een ziel.” Die bezieling ontstaat niet door enthousiasme alleen. Goed taal- en leesonderwijs vraagt volgens Van Oostrom om leraren die taalvaardig en inhoudelijk deskundig zijn, het goede voorbeeld geven en tegelijk ruimte laten voor speelsheid en initiatief. Zij vertellen en leggen uit, maar laten leerlingen ook zelf zoeken, proberen en ontdekken. Professionele vrijheid vraagt daarom ook verantwoordelijkheid: “Je moet dan natuurlijk ook wel docenten hebben die dit kunnen.”  

Ook voor leerlingen die zichzelf geen lezer vinden 

Bereikt zo’n ambitieus traject alleen de enthousiaste lezers? Van Oostrom maakt daar geen mooi verhaal van. Natuurlijk zag hij ook leerlingen die verveeld naar buiten keken. “Ik boei ook niet iedereen”, zegt hij. Wel kwamen leerlingen na afloop spontaan naar hem toe om te zeggen dat ze het boeiend hadden gevonden. Daar zaten ook leerlingen tussen van wie hij tijdens de les nauwelijks iets had gehoord. Sommige leerlingen luisteren, verwerken en denken zonder dat meteen zichtbaar te maken. Juist daarom vindt hij het moeilijk om het succes van het project alleen af te meten aan directe reacties. Misschien win je een leerling niet in één middag voor Hadewijch of de literatuur. Maar je kunt wel iets in beweging zetten. 

Liefde voor de stof

Wat leerlingen uiteindelijk moeten meenemen, is voor Van Oostrom dan ook groter dan kennis over één middeleeuwse auteur. Ze maken kennis met een manier van aandachtig kijken, met een academische houding en met iemand die zichtbaar plezier beleeft aan onderzoek. Hij wil daarbij niet suggereren dat iedereen naar de universiteit moet. Wel vindt hij het waardevol dat jongeren tijdens hun schooltijd kunnen ervaren wat wetenschap en geesteswetenschappelijk onderzoek kunnen zijn: bijzonder, maar ook benaderbaar. 

Daarmee raakt het traject aan een oude onderwijsuitspraak aan die hem dierbaar is: het hoogste doel van onderwijs is “liefde voor de stof wekken”. Als een leraar dat bereikt, zegt hij, “dan heb je het heel goed gedaan, volgens mij”. Het bezoek aan Scholen Da Vinci bevestigde voor hem hoe bepalend leraren kunnen zijn. Universiteiten spreken graag over grote leermeesters, maar volgens Van Oostrom zitten de echte leermeesters vaak juist in het middelbaar onderwijs: “Daar begeleiden leraren jongeren in de jaren waarin hun blik op de wereld zich vormt.” 

Dat is wat hij op Da Vinci herkende. Niet één spectaculaire methode, maar een combinatie van inhoudelijke ambitie, vrijheid, voorbereiding, aandacht en docenten die zelf ergens voor staan. Precies daarin kan voor andere scholen de inspiratie zitten. 

Inspirerend leesonderwijs in de praktijk

Met Inspirerend leesonderwijs in de praktijk maken de Taalunie en de Kennistafel Effectief Leesonderwijs zulke scholen zichtbaar. Niet om één aanpak als model voor te schrijven, maar om scholen en leraren uit te nodigen ervaringen uit te wisselen en vanuit hun eigen context verder te bouwen. Scholen Da Vinci laat zien wat er mogelijk wordt wanneer vrijheid, deskundigheid en samenwerking samenkomen en wanneer een klaslokaal werkelijk de belofte uitstraalt: hier gaat iets gebeuren.