Talenbeleid in Europa

Het onderzoeksrapport 'Talenbeleid in Europa' (2019) gaat in op de vraag hoe andere Europese landen het onderwijs van hun taal en cultuur ondersteunen in het buitenland. Deze studie vergelijkt het beleid van de Taalunie met de ondersteuning van het onderwijs van en in de eigen taal en cultuur in het buitenland van Duitsland, Hongarije, Polen, Portugal, Rusland en Zweden. Het onderzoek is een herhaling van een onderzoek dat de Taalunie in 2010 liet uitvoeren.

Met deze beleidsvergelijking wil de Taalunie meer inzicht krijgen in het internationaal beleid dat andere landen voeren voor de eigen taal, en zo inspiratie opdoen voor het eigen beleid. Daarnaast wil de Taalunie contacten leggen om te komen tot uitwisseling van gegevens en verdere samenwerking.

Conclusie
In vergelijking met andere Europese landen investeren Nederland en Vlaanderen zeer weinig in het buitenlandse onderwijs in de eigen taal en cultuur. Hierdoor kunnen nieuwe kansen op economisch, diplomatiek en cultureel terrein niet worden benut. De trend is bovendien tegengesteld aan die in veel andere landen, waar de investeringen in taal en cultuur juist toenemen.

Uit het onderzoek
In totaal investeren Nederland en Vlaanderen via de Taalunie 7,5 cent per inwoner van het taalgebied in het onderwijs Nederlands in het buitenland; waarvan 4,5 cent per inwoner van het Nederlandse taalgebied in het internationaal universitair onderwijs van het Nederlands.
Andere Europese landen investeren meer in het buitenlandse onderwijs van hun taal: Zweden (11 cent), Hongarije (15 cent), Portugal (€ 2,80), Duitsland (€ 5,30).
 
Bekijk hier de rapporten:

Buitenlandse onderzoeken

Ook andere Europese landen doen onderzoek naar hoe andere landen hun taal in het buitenland promoten. In 2021 verscheen er een rapport van EDUFI (Finnish National Agency for Education). In dat rapport geeft de organisatie een overzicht van zusterorganisaties in een aantal landen die ook de bestudering van hun taal en cultuur in het buitenland ondersteunen en hoe zij dit doen. Estland, IJsland, Letland, Slowakije, Zweden en de Taalunie deden mee aan de voor dit onderzoek gehouden enquête.  

Contactpersoon
Karlijn Waterman