2025
Men zegt wel eens dat de liefde door de maag gaat. Ik zie dat net iets anders. Uiteraard kunnen stroopwafels, ijs of pizza mijn hart stelen, maar naar mijn mening is er iets dat nog meer van liefde spreekt: muziek.
Al van jongs af aan stond muziek in het middelpunt van mijn leven. Ik ben in Duitsland opgegroeid met niet-Duitse ouders, voor wie de waarde van verschillende talen altijd centraal stond. Zo werd mijn eerste lievelingszanger Heintje – een kleine (voor mijn leeftijd toen al een oudere heer) Nederlandse jongen, die sinds de jaren zestig de harten van heel Duitsland veroverde. Mijn lievelingslied was “Mama”, dat in een eenvoudige, bijna kinderlijke taal een emotionele liefdesverklaring aan zijn moeder brengt. Natuurlijk kon ik nog niet weten dat ik ooit duizenden kilometers van mijn eigen mama vandaan zou zijn, en dat ik, net als hij, van haar zou leren “om door het leven te gaan”.
Maar muziek uit niet alleen liefde – ook verdriet. We kennen allemaal de grote balladen uit de muziekgeschiedenis, maar één Nederlands lied heeft een bijzondere plek in mijn hart veroverd. Sinds Joost Klein in 2023 in Duitsland doorbrak met “Friesenjung”, was ik al een klein fanatiek bewonderaar. Zijn persoonlijke verhaal raakte me desondanks diep. Als wees van jonge leeftijd probeerde hij zijn gevoelens in tekst en melodie te vatten, en zijn – naar mijn mening – belangrijkste werk is “Florida 2009”. Zijn lied voert me terug naar 2012, toen ook ik “bij de crematie van [mijn] pa” stond. Hij denkt terug aan alles wat alledaags was, wat je daarom als vanzelfsprekend aanneemt… tot het er niet meer is. Maar het hardst komt altijd de laatste regel aan: “Maar heb een steen verlegd in de rivier en dat ondanks alle regen”. Want de regen houdt nooit meer op; het zal altijd blijven neerkomen – soms een zacht geruis, soms een stortvloed. Maar het belangrijkste is: je moet doorgaan, dwars door het verdriet, hoe uitzichtloos of zwaar het ook lijkt.
Ik heb mijn eigen stenen verlegd: mijn eindexamen, mijn vrijwilligersjaar, mijn studie in het buitenland. En nog altijd raakt Nederlandse muziek me diep. Hier in Italië vond ik de ware liefde. Hij spreekt geen woord Nederlands, maar met mij als vriendin ontkom je er niet aan: je maakt kennis met de muziekgeschiedenis van de hele wereld. Op een dag luisterden we naar onze gezamenlijke afspeellijst en begon “Hallo” van Antoon te spelen. Behalve “hallo” begreep hij geen woord, maar de melodie vond hij prachtig en hij zong mee met verzonnen Nederlandse woorden. Ik moet daar altijd weer om lachen, maar ik ben ervan overtuigd: dat lied beschrijft onze eerste ontmoeting perfect. Want vanaf dat allereerste hallo was mijn wereld anders, en ik wist meteen dat “ik niks anders meer wil”.
Want liefde gaat niet door de maag. Liefde gaat door het oor.
Mijn oma zegt nooit ‘vaarwel’. Niet dat ze nooit afscheid neemt; ze zal nooit weggaan zonder ons nog liefde in te fluisteren tijdens een warme omhelzing. Zo’n omhelzing waarbij je voelt: houd me nog heel even langer vast, dan valt het loslaten me minder zwaar. Mijn oma zegt zachtjes en vol geborgenheid: ‘tot piep’. Alsof we nooit echt afscheid nemen, maar we onszelf simpelweg even wegzappen. Als een radio die stilletjes blijft spelen, nadat je dacht hem te hebben uitgezet.
Ik beeld me graag in dat mijn grootmoeder haar eigen woordenboekje heeft, een bordeauxrood, ietwat versleten schriftje waarin ze ’s nachts, wanneer de avond het gesprek weer veel te lang rekt, haar favoriete woorden neerpent.
Bijvoeglijke naamwoorden vinden altijd een metgezel om zich aan vast te klampen, zelfstandige naamwoorden spreken voor zichzelf en werkwoorden moeten werken; die hebben geen tijd om zich alleen te voelen. Neologismen daarentegen zijn verwaarloosbaar, die moet je aandacht geven. Aandacht gunnen. Anders houden ze op te bestaan en zal niemand ooit weten dat ze dat vroeger wel deden. Ze hebben iets weg van herinneringen, vind je niet?
Het zijn nieuwe woorden die worden geboren uit een vonk van taalcreativiteit. Of toeval. Ze zullen een proces moeten ondergaan om zichzelf te bewijzen, een soort eedaflegging: ‘Ik zal betekenis dragen, uiten en koesteren.’ Wanneer schrijvers of vindingrijke zielen een nieuw woord ter wereld brengen, markeren ze een stukje onbekend terrein. Ze tikken ons op de schouder en fluisteren: ‘Kijk, hier is iets wat we nog niet hadden’. Neologismen zijn een vorm van rebellie tegen onze vastgeroeste woordenschat. Misschien wordt een woord dat vandaag nog geen mening vond, morgen het hart van ons gesprek.
Mijn oma is zo’n vindingrijke ziel. Mijn favoriete neologisme komt voort uit haar inkt: knuffelkus. Woorden kennen een connotatie. Taal draagt altijd betekenis.
Dit hersenspinsel is een tastbare echo van haar noden en beloftes. Een knuffel is innig; naar mijn mening één van de intiemste en puurste vormen van verbinding. Een kus zet de toon. Samen vormen ze een passend geheel: een knuffelkus verwoordt mijn oma in tien letters en ademt de allerdiepste connectie: haar letters en ons geheugen. Inkt laat een onuitwisbaar spoor achter van onze ontsnapte gedachten en vormt een pad van bedoeling naar uitdrukking. Knuffelkus is neergepend in mijn oma’s bordeauxrode woordenboekje en zit veilig verstopt in mijn hersenkamer. Verdwijnen zal het nooit meer.
Ik maak me een bedenking die nooit eerder in me opkwam voordat ik deze column begon te schrijven. Waar komt ‘tot piep’ eigenlijk vandaan? Is het mogelijks een afleiding van de zegswijze ‘komen piepen’, wat ‘even komen kijken’ betekent? Het zou ook een onomatopee kunnen zijn: piep zou in dit geval dan kunnen verwijzen naar het geluid van het inhaken van een telefoon of naar de radiostilte na een intens gesprek. Heel misschien leidt het naar een hartmonitor, maar dan zou ik me toch zorgen maken wanneer ik ervaar dat na één piep het geluid zich al begeeft. Toch zou ik de optie onomatopee nog niet volledig afschrijven. Wanneer mijn oma me een bericht stuurt, vervangt ze de piep door de emoticon van een muis.
Ik zal het haar gewoonweg eens moeten vragen.
Ik durf te geloven dat we taal niet alleen gebruiken om te spreken, maar ook om te bewaren. Elk woord, spreekwoord, gezegde, elke zin… is een erfstuk of herinnering aan ons bestaan. We willen niet vergeten worden, we willen tonen dat we er ook zijn als je ons even niet hoort.
Misschien zou de Nederlandse taal, als ze zelf een oma was, ook ‘tot piep’ zeggen. Een taal die niet afsluit, maar openlaat: ‘tot piep… tot het volgende woord.’
2024
Ik heb het gehad. Het zit me tot hier. The drop in the emmer who is totally full. Ik vrees dat als ik nog één keer iemand hoor stuntelen over de titel van een Engels boek, ik zal sterven aan een overdosis plaatsvervangende schaamte. Vertel me alsjeblieft sinds wanneer het lezen van Engelse literatuur een statussymbool is. Tegenwoordig is het een grotere prestatie om de nieuwste BookTok-sensatie te kiezen dan de literaire hoogstandjes van onze Nederlandstalige cultuur.
Wel, u leest het hier als eerste: het is allemaal een hype. Naar de volgende zonderling die u met een zelfvoldane grijns komt vertellen dat hij in het grote almachtige Engels leest, mag u van mij een denkbeeldige middelvinger opsteken. Want geloof me, hij is niet beter of intelligenter, maar wel een slaafse volgeling van een hype en blind voor het mooie der Nederlandse taal. Laten we eerlijk zijn: niet iedereen is een taalwonder. In goede boeken schuilen vele nuances en subtiliteiten die mensen vaak niet meekrijgen, zelfs niet in hun moedertaal. Stel u voor dat je dan ook hierin zou moeten slagen in een taal die je niet eigen is. Wat is de waarde van een boek als je het verhaal niet volledig begrijpt? Het idee dat 'iedereen wel Engels spreekt' is een misvatting die ons berooft van het plezier en de diepgang van onze moedertaal, gewoon omdat het hip is om in het Engels te lezen.
Vertalingen zijn geen luxe; ze zijn een noodzaak. Literatuur moet voor iedereen toegankelijk zijn. Het is onzin om te denken dat lezen enkel dient om je intellect te tonen. Het maakt niet uit of je een bestseller van een Britse auteur of een meesterwerk van een Nederlandstalige schrijver leest. De inhoud is wat telt. Ik vind het altijd fantastisch en tegelijk fascinerend om vertaalde werken te verslinden. Ik vraag me ook echt af of de vertaler op sommige delen heeft moeten zwoegen, ze heeft moeten herwerken tot hij of zij vond dat de nuance van de originele taal correct werd weergeven in het o zo mooie Nederlands. Het zou zonde zijn om zijn dat werk niet te appreciëren. Dan is er de mythe dat je slimmer of meer cultured bent als je alleen maar boeken in dé wereldtaal leest. Dit soort snobisme is zo ver van de werkelijkheid verwijderd. Ik begrijp zeker het verweer dat je je Engels kan verbeteren door het te lezen.
Nu speel ik even advocaat van de duivel: maar niet iedereen leest om bij te leren. Velen doen het voor de ontspanning. Het lezen van boeken in een taal die je niet volledig beheerst, maakt je geen betere lezer. Integendeel, het belemmert je leesplezier en -ervaring. Verwaarloos daarom de rijkdom van onze eigen taal niet.
Nu zit je natuurlijk met de prangende vraag: welke leerkracht Engels heeft jou pijn gedaan? Niemand. Ik meen het. Deze klaagzang ontstond niet uit wrok voor de Engelse taal en literatuur. Ook niet vanwege vaderlandsliefde. Dit werd neergeschreven uit bezorgdheid. Zelf spreek ik en lees ik ook vloeiend Engels. Ik zie met lede ogen toe hoe de Nederlandse taal langzamerhand niet meer geapprecieerd wordt. Degenen die hetzelfde als ik zouden durven beweren, zullen waarschijnlijk ook nerds genoemd worden, maar het wordt tijd dat we opkomen voor de cultuur van de Lage Landen.
Laten we dus afstappen van deze hype. Vertalingen zijn geen overbodige luxe; ze zijn een cruciaal onderdeel van onze culturele identiteit. Laten we onze eigen taal vieren in plaats van ons te laten verleiden door de schijnbare superioriteit van het Engels. Want uiteindelijk, wie de nuance mist, mist de ziel van het verhaal. En dat zou hier pas de echte schande zijn.