Kun je kort jouw onderzoeksproject beschrijven? Wat was je doel en welke resultaten heb je bereikt?
In mijn proefschrift maak ik een analyse van literaire teksten van de eerste drie naoorlogse decennia. Mijn huidige corpus omvat Nederlandstalige literatuur (uit Nederland, Curaçao en Suriname), Belgische literatuur (waarmee ik zowel Nederlandstalige als Franstalige literatuur uit België bedoel), Franstalige Congolese literatuur en Franstalige literatuur (uit Frankrijk en Maghreb). Alle teksten zijn oorspronkelijk gepubliceerd tijdens de zogenaamde Trente Glorieuses (grosso modo 1945-1975), een periode van ongekende welvaart (vooral) in West-Europa en gaan allemaal over de directe exploitatie en het gebruik van natuurlijke grondstoffen (olie, uranium, en in mindere mate steenkool en gas) gedurende de naoorlogse modernisering van Nederland, België en Frankrijk. Ik overweeg ook Roemenië daarbij te betrekken, want dat vooruitgangsgeloof ontbrak daar evenmin in de communistische landen tijdens de tweede helft van de twintigste eeuw. Dat moet ik echter nog bespreken met mijn begeleidingscommissie. Mijn PhD-project is een onderzoek naar hoe die naoorlogse energiegeschiedenis verwerkt wordt in de literatuur van die tijd en kadert binnen de ecokritiek. Middels een transnationale literaire analyse beoogt het een bijdrage te leveren aan de problematiek van de energietransitie waar de wereld van vandaag de dag mee zit. In de drie maanden die ik dit jaar in Nederland heb doorgebracht voor mijn onderzoeksverblijf, heb ik gewerkt aan een eerste versie van het hoofdstuk over België en Congo. Dankzij de onderzoeksbeurs is het mij gelukt om de grootste uitdaging van mijn PhD-traject te verzachten: ik heb toegang gekregen tot veel primaire bronnen (in deze fase: Nederlandstalige en Franstalige literaire teksten uit de eerste drie naoorlogse decennia die de energiegeschiedenis van België behandelen en die slechts in zeer beperkte mate gedigitaliseerd zijn en weinig aandacht krijgen in de literaire kritiek van de 20e eeuw). Die eerste versie van het hoofdstuk ga ik in september verdedigen voor mijn begeleidingscommissie. Daarvoor doe ik mee aan het Colloquium Neerlandicum in Brussel waar ik een lezing geef over dit onderdeel van mijn proefschrift. In juni heb ik ook een artikel geschreven waarin ik een ecokritische analyse maak van een paar Franstalige toneelstukken geschreven door de Franstalige Congolese auteur, Sony Labou Tansi. Het artikel getiteld « Retrouver en soi d’incommensurables capacités d’exister » : métaphores de l’Anthropocène dans « Conscience de tracteur » (1973) et « La Gueule de rechange » (1974), de Sony Labou Tansi verschijnt eind dit jaar in RCSDLLF.
Hoe heeft de onderzoeksbeurs van de Taalunie jouw werk ondersteund?
Dankzij de beurs had ik toegang tot de UB van de Universiteit Utrecht, waar ik zowel secundaire als primaire literatuur kon raadplegen – teksten waar ik vanuit Roemenië geen toegang toe heb. Daarnaast woonde ik in april in Leiden en nam ik een abonnement bij de UB Leiden, voornamelijk om gebruik te kunnen maken van de bronnen en werkruimte van het African Studies Centre van de Universiteit Leiden. Dit was een buitengewoon waardevolle kans voor mij, gezien mijn promotieproject een literaire analyse is van de naoorlogse energiegeschiedenis van Europese landen die – als wij denken aan België en Frankrijk – kolonies hadden in Afrika. Dankzij het uitgebreide aanbod van het African Studies Centre kon ik verschillende Franstalige Congolese auteurs identificeren, waaronder de meest prominente wellicht Sony Labou Tansi is, wiens literaire teksten, voornamelijk geschreven in de jaren ’70 en ’80 — toneelstukken zoals Conscience de Tracteur (1973), La Gueule de rechange (1974), en romans zoals La Vie et Demie (1979) en Machin la Hernie (1979) – zeer waardevol zijn voor het hoofdstuk van mijn proefschrift over België en Congo. In deze teksten worden belangrijke aspecten van de energiegeschiedenis van België en Congo behandeld — van de exploitatie van uranium in Congo door België, die tijdens de Tweede Wereldoorlog aan de VS werd geleverd, tot de Belgische aanwezigheid in de energiesector van Congo ook na de onafhankelijkheid, tijdens het Mobutu-regime. Daarnaast bood het African Studies Centre in Leiden mij toegang tot uiterst waardevolle historische bronnen, zoals The Congo from Leopold to Kabila (2002), een geschiedenis van het postkoloniale Congo geschreven door de Congolese wetenschapper, Georges Nzongola-Ntalaja, waarin wordt aangetoond hoe de aanwezigheid van de voormalige Belgische kolonisten in Congo voortduurt. Dankzij de beurs kon ik ook een dag naar Antwerpen reizen waar ik Nederlandstalige en Franstalige teksten van Belgische auteurs kon raadplegen, zoals Loeders (1975) door Leo Geerts of Un Faust (1986), door Jean Louvet die ik in dialoog zet met de Franstalige Congolese literatuur.
Welke struikelblokken kwam je tijdens je onderzoek tegen en hoe heeft de beurs je geholpen om deze te overwinnen?
De grootste uitdaging van dit promotietraject is, zoals reeds aangegeven, de toegang tot primaire en secundaire bronnen die – gezien de periode – vaak niet gedigitaliseerd zijn omwille van copyrights. Door drie maanden in Nederland te mogen verblijven, kreeg ik toegang tot veel van deze bronnen. Daarnaast had ik in deze drie maanden ook meer contact met mijn co-begeleider in Nederland – Geert Buelens. Dat was uiteraard ook heel nuttig voor het schrijven van dit hoofdstuk.
Kun je een praktijkvoorbeeld geven van hoe jouw onderzoek heeft bijgedragen aan de neerlandistiek of het onderwijs Nederlands als Vreemde Taal?
In 2022 schreef Geert Buelens een column over de toekomst van de neerlandistiek, getiteld: We moeten af van de ‘Nederlandse literatuur’. Daarin betoogt hij dat ons vakgebied ‘gedecentreerd moet worden’. Anders gezegd: dat de literatuur/cultuur die wij onderzoeken de grenzen van de natiestaat Nederland overschrijdt en dat wij daar rekening mee moeten houden in ons werk. Het voordeel daarvan is dat je dan verschillende fenomenen of evenementen in een complexer licht ziet, vanuit verschillende perspectieven. Mijn promotieonderzoek bewijst juist hoe voordelig deze aanpak is voor het verrijken van de kennis die wij produceren en delen binnen de neerlandistiek want het toont dat de naoorlogse modernisering van het centrum, dat wil zeggen met name van de West-Europese natiestaten, gepaard ging met de exploitatie van grondstoffen en mensen uit de oud gekoloniseerde gebieden. Maar dat laatste aspect blijft vaak onderbelicht, als je de literatuur van de voormalig gekoloniseerde gebieden niet analyseert.
Hoe zie jij de toekomst van jouw onderzoek en de rol van het Nederlands in jouw vakgebied?
Ik ben optimistisch over mijn onderzoek. Ik blijf gefascineerd door wat ik verken en door mijn uitvindingen – zowel in de primaire als in de secundaire teksten. Ik ben al lang geïnteresseerd in geschiedenis en verheug me erop dat ik kan bijdragen aan de literaire geschiedenis van de klimaatcrisis die grotendeels nog geschreven moet worden, binnen de neerlandistiek, maar ook daarbuiten, lijkt me. Het feit dat ik een meertalig corpus bestudeer en via literatuur dus verschillende visies op de naoorlogse modernisering verken, lijkt me een grote uitdaging voor mezelf als jonge onderzoekster, maar tegelijk ook een boeiende aanpak die wellicht interessant gaat zijn voor wie interesse heeft in de ecokritiek. Mijn benadering benadrukt de contacten van de Nederlandse cultuur met andere culturen en nuanceert het begrip van complexe historische fenomenen – zoals modernisering in brede zin.
Welke tips zou je geven aan andere onderzoekers die een onderzoeksbeurs overwegen aan te vragen?
Om de beurs gewoon aan te vragen! Het leven in Nederland is helemaal niet goedkoop en alle financiële steun is welkom. Zo’n verblijf kan echt nuttig zijn voor je onderzoek: je krijgt meer toegang tot bronnen en kan makkelijker contact opnemen met specialisten binnen het taalgebied. Bovendien, uit mijn ervaring, helpt het veranderen van omgeving en werkroutine om vooruitgang te boeken en inspiratie op te doen in je promotietraject dat, hoe interessant ook, toch vaak behoorlijk veel van je vergt.
Nederlands internationaal
De Taalunie wil de rol en meerwaarde van het Nederlands internationaal zichtbaar maken en beter benutten door het onderwijs, onderzoek en gebruik van de Nederlandse taal en Nederlandstalige cultuur te versterken en door internationale netwerken rond Nederlands verder uit te bouwen en met elkaar te verbinden. Studenten, docenten en onderwijsinstellingen, die buiten het taalgebied actief met het Nederlands bezig zijn, ontvangen verschillende vormen van steun. Verdere duurzame relaties komen er bijvoorbeeld door de juiste partners met elkaar in contact te brengen, door financiële ondersteuning van netwerken, gastdocenten, gastschrijvers, conferenties en projecten, maar ook door het toegankelijk maken van deskundigheidsbevordering, cursussen, toetsingsmogelijkheden en informatie over leermiddelen.
Meer informatie over het belang van het Nederlands internationaal.