Startnotitie Nederlands in het hoger onderwijs

Datum: 
21 juni 2013

Gezamenlijk plan van aanpak van de Raad voor de Nederlandse Taal en Letteren (verder: de Raad) en het algemeen secretariaat van de Taalunie (verder: AS) voor de beleidsvoorbereiding en –advisering over het Nederlands als instructietaal en over de taalvaardigheid van studenten in het hoger onderwijs. Het hoger onderwijs omvat de opleidingen aan universiteiten en hogescholen.

Dit plan is het eerste deel van een langer lopend traject, waarin later behalve de in de eerste alinea genoemde thema’s ook het Nederlands als taal van de wetenschap en in het bijzonder het Nederlands als wetenschappelijke publicatietaal aan de orde zullen komen.

 

0 Inleiding: waar gaat deze startnotitie over?

Thema
Aandacht voor de positie van het Nederlands in het hoger onderwijs en in de wetenschap staat prominent in het meerjarenbeleidsplan 2013-2017 van de Taalunie. De Raad wil hierover de komende jaren een of meer adviezen uitbrengen aan het Comité van Ministers (verder: CM). In het meerjarenbeleidsplan ligt het accent vooral op de mate van het gebruik van het Nederlands als instructietaal en als voertaal in het hoger onderwijs, op de kwantiteit dus. De Raad wil uitdrukkelijk zíjn accent leggen op de kwalitatieve aspecten van het gebruik van het Nederlands, meer bepaald op de taalvaardigheid van studenten en in het verlengde daarvan die van de docenten. Dit zijn de twee thema's die tussen nu en medio 2013 voorrang krijgen. Later zal dan het derde thema "Nederlands als taal van wetenschap" aan de orde komen. Dat betekent ook het Nederlands als publicatietaal en de Nederlandse vaktaal. Het derde thema valt buiten het bestek van de onderhavige startnotitie.

Werkzaamheden: beleidsvoorbereiding
Het AS zal in 2013 beleidsvoorbereidend onderzoek (laten) doen. Dit dient zowel voor de beleidsbepaling door het CM als voor de beleidsadvisering door de Raad. In 2013 en begin 2014 gaat het dus vooral om de volgende twee thema’s: Nederlands als instructietaal en de taalvaardigheid van studenten. De combinatie van beide is vanwege de raakvlakken een kwestie van doelmatigheid en efficiëntie. Doel is: een aantal beleidsrelevante rapporten als basis voor steekhoudende Raadsadviezen aan het CM en eventueel aan andere belanghebbenden. Een eerste advies wordt voorzien in het najaar van 2014.

Plan van aanpak tot najaar 2014
Dit stuk is een gezamenlijk plan van aanpak van de Raad en van het AS voor de beleidsvoorbereiding én de advisering en de communicatie erover. De agenda loopt vooralsnog tot het najaar 2014. Het ligt in de rede dat het onderhavige plan tegen die tijd is bijgesteld en zo nodig verlengd aan de hand van de bevindingen.

Opbouw van onderhavige startnotitie
Hoofdstuk 1 bevat een beschrijving van de voornemens van Raad en het AS voor 2013 tot het najaar van 2014. Hoofdstuk 2 is een uiteenzetting over de zorgen die er leven met betrekking tot de twee thema’s. Hoofdstuk 3 geeft een opsomming van de (onderzoeks)vragen die moeten worden beantwoord om vast te stellen of die zorgen terecht zijn.
Hoofdstuk 4 stuk is een agenda. Daarin staat wat de Raad en het AS de komende tijd concreet gaan doen, wie dat gaat doen en wanneer. Het gaat vooral om literatuuronderzoek, vraaggesprekken, schriftelijke enquêtes en bijeenkomsten met externe deskundigen en belanghebbenden.

1 Voornemens van de Raad en het algemeen secretariaat in 2013/2014

1.1 Advisering door de Raad
De  Raad wil eind 2014 een advies  uitbrengen gericht op verbetering van de taalvaardigheid in het Nederlands van studenten en afgestudeerden aan hogescholen en universiteiten. Via het CM wil hij uitdrukkelijk óók de afzonderlijke bewindslieden verantwoordelijk voor het Vlaamse onderwijsbeleid respectievelijk Nederland bereiken.
De Raad stelt zich voor t.z.t. óók een signaal aan het veld van het hoger onderwijs te kunnen geven. Hij denkt daarbij aan aanbevelingen of suggesties aan de onderwijsinstellingen en eventueel aan docenten. De Raad zal de adviezen steeds duidelijk adresseren.
In de loop van 2014 wil de Raad een volgend thema aanpakken, namelijk Nederlands als taal van wetenschap, taal van publicatie en vaktaal.

1.2 Beleidsvoorbereiding door het AS
De Taalunie heeft als jaarthema 2013 het onderwerp Nederlands als instructietaal in het hoger onderwijs (thema 1). Het AS gaat op verzoek van het CM verkennend onderzoek doen op dat vlak. Het ligt voor de hand dat het AS dit verkennende onderzoek combineert met gelijksoortig onderzoek voor de beleidsadvisering door de Raad. Dat wil zeggen dat het in 2013 óók gegevens zal verzamelen die betrekking hebben op de taalvaardigheid van studenten (thema 2).

Met het oog op latere adviezen zal het algemeen secretariaat in 2013 in overleg met de Raad ook nog een startnotitie maken voor het onderwerp Nederlands als taal van wetenschap, taal van publicatie en vaktaal (thema 3). Waar dat opportuun is, zal het AS overigens in het beleidsvoorbereidende onderzoek in 2013 alvast vragen stellen die hiermee verband houden.

2 Zorgen met betrekking tot het Nederlands in het hoger onderwijs

2.1 Zorgen over de taalvaardigheid, en de mogelijke oorzaken

2.1.1 Taalvaardigheid van de studenten en afgestudeerden
De Raad maakt zich zorgen over de taalvaardigheid Nederlands van studenten in het hoger onderwijs in Nederland en Vlaanderen en het Nederlandstalig onderwijs in Brussel en over de taalvaardigheid van de afgestudeerden.

Die zorgen gaan niet in de eerste plaats om correct taalgebruik. Ze betreffen vooral de talige competenties die nodig zijn om een studie te kunnen volgen in het hoger onderwijs: een presentatie geven, een werkstuk structureren, argumenteren, wetenschappelijke teksten begrijpen en dergelijke. In dit stuk duiden we dat gemakshalve aan als ‘academische taalvaardigheid’. En ten derde gaat het ook om de vereiste beheersing van de vaktaal.

instroom
Een studie in het hoger onderwijs vergt een specifiek niveau van taalvaardigheid. Uit onderzoek is gebleken dat veel instromende studenten talig minder goed voorbereid aan de start van het hoger onderwijs staan. In Vlaanderen en in het Nederlandstalig onderwijs in Brussel geeft elk diploma secundair onderwijs officieel toegang tot elke vorm van hoger onderwijs. De eindtermen Nederlands van het aso, kso en tso zijn daar in wisselende mate op gericht. De eindtermen van het bso zijn er niet op gericht. Op die omnivalentie van het diploma worden wel vragen gesteld.  In Nederland bereidt alleen het vwo de leerlingen voor op een academische studie. Dat wil overigens niet zeggen dat daarmee een naadloze aansluiting wordt bereikt. Hoe het ook zij, de Raad vindt dat voorkomen moet worden dat beginnende studenten de aansluiting missen door een onvoldoende taalvaardigheid.

doorstroom
Niet alleen bij de start, maar zeker ook door de hele studie heen is aandacht nodig voor taalvaardigheid. Taal is immers cruciaal voor het onderwijs- en evaluatieproces van elke opleiding. En het heeft invloed op het cognitieve niveau van studenten. Het gebeurt volgens de Raad te vaak dat studenten uitvallen, louter omdat ze niet taalvaardig genoeg zijn – zij begrijpen de lesstof niet of weten niet hoe ze opdrachten moeten uitvoeren. Dat is extra zorgelijk bij de omvangrijke categorieën studenten die het toekomstige maatschappelijke middenkader gaan vormen.

uitstroom
Ook ná de studie is taalvaardigheid belangrijk. De Raad vindt dat de opleiding studenten óók moet voorbereiden op de talige eisen die hun toekomstige beroep aan hen stelt. Dus: als dat een beroep is midden in de Vlaamse of Nederlandse samenleving, dan is Nederlandse taalvaardigheid vereist. Dat is eens te meer belangrijk, omdat blijkt dat bedrijven en instellingen wel degelijk belang hechten aan een goede beheersing van het Nederlands door hun werknemers. Dat geldt ook voor buitenlanders studenten die in Nederland of Vlaanderen gestudeerd hebben.
Verder mag van iemand die afgestudeerd is aan een universiteit of hogeschool een actief burgerschap verwacht worden. Daar hoort een sterke taalvaardigheid bij. De Raad denkt dat onderwijsinstellingen zich daar meer rekenschap van kunnen geven.

Tot slot maakt de Raad zich ook zorgen om de consequenties van een te geringe taalvaardigheid voor het Nederlands zelf. Als studenten en docenten zich niet goed van het Nederlands bedienen, kan dat óók ten koste gaan van de bruikbaarheid van die taal als taal van de wetenschap, als publicatietaal en als vaktaal.

2.1.2 Systematische aandacht voor de ontwikkeling van de taalvaardigheid van de studenten
In het primair/basisonderwijs en het secundair/voortgezet onderwijs, wordt systematisch ondersteuning in taalvaardigheid aangeboden, maar deze leerlijn stopt bij het tertiair onderwijs (met uitzondering van de taal- en letterkundige opleidingen). Ook een academische opleiding zou zich bezig moeten houden met de rol die taal speelt in de persoonlijke ontplooiing en in het leerproces van de studenten en met de manier waarop door docenten en in het leermateriaal met taal wordt omgegaan. Iedere onderwijsinstelling zou structureel moeten werken aan de ontwikkeling van de taalvaardigheid van de studenten in functie van hun studie en van hun toekomstig maatschappelijk functioneren. Tenslotte zou het hoger onderwijs meer attent moeten zijn op de eisen die de arbeidsmarkt stelt aan taalcompetenties.

Overigens doen heel wat universiteiten en hogescholen momenteel pogingen om een doordacht taalvaardigheidsbeleid op te zetten en te implementeren, al wordt dat vaak nog vooral in de vorm van remediëring opgezet. Veel instellingen hebben een taalcoördinator. Door geldgebrek wordt dat beleid helaas vaak onvoldoende doorgezet. En ook ontbreekt het het opleidingsmanagement vaak aan ontwikkeling van visie en draagvlak.

Zo’n taalvaardigheidbeleid zou zowel ontwikkeling van academische taalvaardigheid moeten omvatten als het aanleren van de vaktaal voor alle studenten. En dat alles door de hele studie heen. En verder moet er remediëringaangeboden worden voor de studenten die dat nodig hebben. Het monitoren van de competenties is daarvoor een voorwaarde, te beginnen bij het meten van de competenties bij de instroom. Het hoger onderwijs moet, vertrekkende van de eindniveaus secundair onderwijs, instroomnormen van specifieke opleidingen operationaliseren. Studenten zouden aan die norm getoetst moeten worden, moeten horen aan welke punten zij moeten werken en de benodigde begeleiding krijgen. Het vermoeden bestaat dat het hoger onderwijs een specifiek hoger niveau van taalbeheersing vraagt dat leerlingen in het secundair onderwijs misschien te weinig aanleren. Zelfs bij de hogere richtingen van het algemeen vormend en het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs. Als dat zo is zou hier ook een taak liggen voor de instellingen van hoger onderwijs zelf.

Aandacht voor de taalvaardigheid van docenten is ook op zijn plaats. Taalcompetenties van docenten zijn cruciaal voor de taalvaardigheidsontwikkeling van de studenten. De Raad vraagt zich af of er bij de aanstelling van de leerkrachten wel gelet wordt op hun taalvaardigheid. Immers de Nederlandse taalvaardigheid van studenten is ook gebaat bij een daadwerkelijk gebruik van het Nederlands als instructietaal door docenten. Hierover meer in paragraaf 2.2.

Het spreekt voor zich dat in een taalbeleid gedifferentieerd moet worden naar soort onderwijsinstelling en studierichting. Ook moet onderscheid gemaakt worden tussen Nederlandstalige en anderstalige studenten. De Raad realiseert zich dat de diversiteit van opleidingen in combinatie met de diversiteit in de instroom maakt dat er geen standaardpakketten kunnen worden samengesteld. Dat hoeft zijns inziens een algemene richtlijn voor een taalvaardigheidsbeleid niet in de weg te staan.

2.2 Zorgen over het afnemend gebruik van Nederlands als instructietaal
Steeds meer universiteiten en hogescholen bieden programma's aan in het Engels. Dat geldt vooral voor de masterprogramma’s aan de universiteiten. De Taalunie is zeker voorstander van het Europese beleid ten aanzien van meertaligheid, ook in de universiteiten en hogescholen. Ze realiseert zich dat in bepaalde gevallen het gebruik van het Engels als instructietaal nodig is. Maar ze heeft ook de indruk dat er negatieve gevolgen zijn die kunnen worden beperkt als de onderwijsinstellingen zorgvuldiger en transparanter te werk gaan bij de keuze van de instructietaal voor een bepaalde studie.

  • Een van haar zorgen is dat een afname van het gebruik van het Nederlands als instructietaal ten koste gaat van academische taalvaardigheid in het Nederlands en in het verwerven van Nederlandstalige vaktaal. Bovendien leidt het tot minder aandacht voor het goed hanteren van de Nederlandse taal in het algemeen.
  • Een tweede zorg is de afname van de functie van het Nederlands als taal van wetenschap. Er zijn vakken die nauwelijks meer in het Nederlands worden aangeboden. Gebruik van het Engels kan het accent leggen op een Angelsaksisch discours en daardoor andere invalshoeken, dus ook uit de Lage Landen, onderbelichten. Bovendien wordt de Nederlandse vaktaal op een bepaald domein niet meer gevoed, wat tot functieverlies voor het Nederlands zou leiden met als gevolg een kloof tussen Nederlandstalige burgers enerzijds en beroepsbeoefenaren die zich niet in het Nederlands kunnen uitdrukken aangaande hun deskundigheid anderzijds.
  • Een derde zorgpunt is dat Nederlandstalige studenten de studie in het Engels niet altijd goed kunnen volgen. Vooral voor studenten die een beroepsopleiding volgen en die hun handen al vol hebben aan de conceptuele kant van het onderwijs kan het een extra belasting zijn dat ze Engelstalige colleges en lesmaterialen krijgen. 

De onderwijsinstellingen maken hun argumenten om te kiezen voor Engelstalig onderwijs vaak niet expliciet. Doorgaans wijzen ze op de internationale meerwaarde. Hier volgt een (niet noodzakelijk volledige) opsomming:

  • de internationale relevantie van de betreffende studie;
  • de aanwezigheid van buitenlandse studenten;
  • de mogelijkheid om hoogwaardige buitenlandse docenten aan te trekken;
  • het uitgangspunt dat Engels de taal van de wetenschap is;
  • extra inkomsten te generen door een toeloop van buitenlandse studenten.

Hoe het ook zij, als die argumenten al expliciet gemaakt worden, ze worden zelden geëvalueerd: Hoeveel studenten uit het buitenland levert de keuze voor het Engels nu eigenlijk op? En blijkt het vak dat in het Engels gegeven wordt inderdaad internationaal relevant? Kómen de afgestudeerden in een bepaald vak wel echt terecht in wetenschappelijke banen waar Engels de voertaal is?
De onderwijsinstellingen lijken weinig te reflecteren op de geldigheid van de argumenten, ze monitoren niet en ze komen ook zelden terug op hun keuze voor het Engels als instructietaal.

Nuances

  • De term “instructietaal” moet in de vervolgfase scherper gedefinieerd worden. Het kan hier gaan om: de taal van de studieboeken en andere teksten, om de taal die de docent spreekt, om de de taal die de studenten onderling  met de docent spreken, de taal waarin studenten opdrachten maken, de taal waarin examens worden afgenomen (mondeling/schriftelijk) én de taal die tijdens stage wordt gesproken (m.n. in hogescholen relevant).
  • Er is een groot verschil tussen Vlaanderen en Nederland. In Vlaanderen is pas sinds 2010 de keuze voor een andere instructietaal bij decreet toegestaan en er zijn strakkere regels voor het volume anderstalig onderwijs dat per instelling gegeven mag worden. Iedere studie moet bovendien ergens in Vlaanderen in het Nederlands worden aangeboden. In Nederland staat in de wet dat Nederlands de onderwijstaal is, maar dat in bepaalde gevallen uitzonderingen mogelijk zijn. Van die uitzonderingsmogelijkheid wordt in de praktijk op ruime schaal gebruik gemaakt.
  • Het beleid bij de universiteiten verschilt van dat bij de hogescholen. Het Engels is dominanter aanwezig aan de universiteiten. Vooral veel mastersopleidingen zijn in het Engels. In de bachelorsprogramma’s aan universiteiten en hogescholen is het gebruik van Engels veel minder.

3 Onderzoeksvragen ter voorbereiding van beleid en beleidsaanbevelingen
De hiervoor genoemde zorgen zijn noties die gestaafd moeten worden voordat er beleid op wordt gemaakt. Hieronder volgen de vragen waarop het AS antwoord moet zien te vinden om de geuite zorgen en de veronderstelde oorzaken te kunnen onderbouwen met feiten en gedeelde meningen. De prioriteiten zijn met ** aangegeven.

NB ! Bij de beantwoording van alle hiernavolgende vragen moet steeds gekeken worden of het noodzakelijk is te differentiëren naar:

  • Nederland of Vlaanderen;
  • het soort onderwijs: hogeschool, universiteit;
  • bacheloropleiding of mastersopleiding;
  • de studierichting en het beroep waarvoor men opgeleid wordt;
  • de eerste taal van de betreffende studenten: Nederlandstalige studenten: anderstaligen;In het geval van buitenlandse studenten; studenten die tijdelijk dan wel permanent in Nederland/Vlaanderen blijven; het land van herkomst. Het is immers anders of een student uit bijvoorbeeld China, Zuid-Amerika of Duitsland komt.

3.1  Het taalbeleid van de universiteit of hogeschool (INSTELLINGSBELEID)

  • Is er iets vastgelegd over de keuze voor een instructietaal en de voorwaarden? (**)
  • Is er enig zicht op in hoeverre en bij welk soort instellingen een consistent en breed taalvaardigheidsaanbod wordt gedaan dat structureel is en voor alle studenten? (**)
  • Is er sprake van doorgaande leerlijnen?
  • Is het taalonderwijs geïntegreerd in het onderwijsprogramma, per studierichting?
  • Hoe staat het met het aanbod aan remediërend taalonderwijs?
  • Hoe staat het met specifieke aandacht voor academisch taalonderwijs en vaktaal? (**)
  • Hoe staat het met de gelegenheid voor buitenlandse studenten om Nederlands te leren? (**)
  • In hoeverre is er sprake van toetsing van het taalvaardigheidsniveau bij de instroom als startpunt voor eventuele remediëring en verder aanbod aan taalonderwijs. En wordt dat vervolgens ook aangeboden? Wat zijn de ervaringen en resultaten?
  • Wordt de taalvaardigheid van studenten tussentijds gemonitord?
  • Is er een geobjectiveerd competentieniveau voor de studenten.Wat moeten ze na het eerste jaar kunnen? Na de bachelor? (**)
  • Is het ambitieniveau (talige eindcompetenties) waarop we afgestudeerden willen afleveren duidelijk gedefinieerd?
  • Is de taalvaardigheid van de docenten een punt van aandacht? Is er een geobjectiveerd competentieniveau?

3.2 Het gebruik van het Nederlands als taal van onderwijs en wetenschap

  • Hoe zit het met de wet- en regelgeving  van Nederland en en de Vlaamse Gmeenschap m.b.t. het gebruik van het Nederlands als instructietaal? (**)
  • Hoe zit het met de manier waarop en de mate waarin de instellingen de regels naleven, op papier en in de dagelijkse praktijk? (Dit kan wel eens verschillen. Op papier zijn bepaalde opleidingen in het Nederlands terwijl ze de facto grotendeels in het Engels worden gegeven omdat veel achtergrondmateriaal en cursussen in het Engels zijn). Welke argumenten worden binnen de diverse onderwijsinstellingen gehanteerd om principieel, maar ook de facto Engels te gebruiken? Er moet een aantal instellingen worden gekozen om te onderzoeken. (**)
  • Hoe vaak wordt Engels gebruikt als instructietaal? Wat is de evolutie? Hoe was het een aantal jaren geleden? Hoe is dat in andere landen: Scandinavische landen, Duitsland, Frankrijk, het Franstalige onderwijs in België? (**) 
  • Wordt gemonitord of de argumenten die een instelling hanteert voor het gebruik van het Engels als instructietaal ook inderdaad valabel zijn? Zo ja, hoe en wat is het resultaat?
  • Wat is het effect van het gebruik van Nederlands en van het Engels? Dit in termen van taalvaardigheid van studenten, van kennisoverdracht en van het gebruik van het Nederlands/Engels als publicatietaal.
  • Heeft het gebruik van andere talen dan het Nederlands als instructietaal gevolgen voor de Nederlandse vaktaal en Nederlands als wetenschapstaal? M.a.w. droogt de Nederlandstalige terminologie binnen bepaalde vakken op? Is er nog discours in het Nederlands bij disciplines waar hoofdzakelijk in het Engels college wordt gegeven.

3.3 Taalvaardigheid van de instromende studenten (INSTROOM)

  • Beschikken leerlingen aan het eind van hun secundair onderwijs over de nodige talige startcompetenties om aan het hoger onderwijs te beginnen? Het gaat hier vooral om de opleidingen die specifiek voorbereiden op het wetenschappelijk onderwijs, met name het Nederlands vwo en het Vlaamse aso (**, zie ook de volgende vraag)?
  • Is de veronderstelling juist dat het hoger onderwijs om een eigen niveau van taalvaardigheid vraagt dat met name leerlingen in het mbo en het havo (ook in de opleidingen die wel toegang bieden tot het hoger onderwijs)  in Nederland en het tso en kso in Vlaanderen, te weinig aanleren?
  • Zijn er leerlingen die niet naar het hoger onderwijs gaan, omdat hun taalvaardigheid onvoldoende ontwikkeld is terwijl ze er wel de aanleg voor hebben?

3.4 Taalvaardigheid van de studenten doorheen het hoger onderwijs (DOORSTROOM)

  • Hoe staat het met de feitelijke taalcompetentie van de student? Is die voldoende om optimaal van de studie te kunnen profiteren? Er worden bijvoorbeeld lacunes vastgesteld in de wetenschappelijke geletterdheid van jongeren als het om vaktaal gaat. Wat zijn de oorzaken van eventuele lacunes? Heeft dit te maken met de ontwikkeling van de taalvaardigheid Nederlands doorheen de studie; of met het Engels als onderwijstaal? (**)
  • Hoe groot is de uitval die samenhangt met de (Nederlandse) taalvaardigheid van studenten?

3.5 Taalvaardigheid van afgestudeerden (UITSTROOM)

  • Beschikken afgestudeerden van hoger beroepsonderwijs en universiteiten over de nodige talige eindcompetenties om hun beroepsleven te starten? (**)
  • Beschikken ze over de talige eindcompetenties voor een actief burgerschap?
  • Wat zijn de oorzaken van eventuele lacunes? Heeft dit te maken met (het ontbreken van) de ontwikkeling van hun taalvaardigheid Nederlands doorheen de studie; aan het Engels als onderwijstaal?
  • Zijn er bepaalde beroepen die onvoldoende worden vervuld, omdat er onvoldoende taalvaardige afgestudeerden zijn?
  • Voor welke beroepen is goede taalvaardigheid Nederlands eigenlijk belangrijk? (**)
  • 3.6 Algemeen
  • Welke adviezen zijn al gegeven in het Nederlandse taalgebied hierover? (**)
  • Hoe staat het met de status van het Engels als instructietaal in het HO in andere landen?
  • Hoe staat het met de taalvaardigheid van studenten in andere landen?

4 Agenda tot maart 2014 voor Raad en algemeen secretariaat

4.1 Aanpak
Eerst wordt via literatuuronderzoek nagaan welke gegevens, welk onderzoek en welke beleidsadviezen er al zijn en wat hieruit valt af te leiden. Tegelijkertijd zal het AS gesprekken voeren met een aantal representanten van belanghebbenden. We denken daarbij aan docenten, studenten, (taal)beleidmakers en bestuurders. Ook zullen we wetenschappers spreken. Als er vervolgens lacunes zijn in de verzamelde kennis, kan de Raad adviseren dat aanvullend onderzoek wordt uitgevoerd.

Verder worden bijeenkomsten gepland om gedaan onderzoek te evalueren, om beleidsaanbevelingen op te stellen en ze te toetsen aan het veld. De Taalunie kan er aan bijdragen dat de vergaarde kennis ook de onderwijsinstellingen bereikt.

4.2 Communicatie

  • In juli 2013 informeert de Raad het veld dat er een advies wordt voorbereid en dat er beleidsvoorbereidend onderzoek wordt gedaan naar een aantal aspecten van het thema. Dit gaat door middel van een e-mail aan de belangrijkste instanties in het veld.
  • In maart 2014  organiseert de Raad een werkbijeenkomst. Daar zullen experten en belanghebbenden de problematiek definieren en hun standpunten uiteenzetten en is er mogelijkheid tot discussie.
  • In het najaar van 2014 legt de Raad zijn conceptadvies/adviezen tijdens een hoorzitting voor aan belanghebbenden, deskundigen, parlementsleden et cetera.
  • Voor het eind van het jaar: aanbieding van het advies. Persaandacht

4.3 Tijdschema 2013 -2014

(tijden zijn aangepast in november 2013)

• tweede helft januari vergadering: presentatie van het literatuuronderzoek, verder uitwerking

• februari/maart: beperkte werkbijeenkomst met experten en belanghebbenden over resultaten van literatuuronderzoek en opstellen van eerste conceptadviezen

• maart – juli 2014: eventueel verder veldverkennend onderzoek, best practices

• september 2014: hoorzitting om preadviezen te toetsen, representanten instellingen

• november 2014: aanbieding eerste adviezen aan het CM (en aan het veld).

 

Bijlage 1
geraadpleegde literatuur

ADVIEZEN

Weloverwogen gebruik van Engels in het hoger onderwijs, advies van de Onderwijsraad (Nederland), 2011. In dit advies staat de vraag centraal hoe de overheid, de onderwijsinstellingen en andere actoren in het onderwijs een evenwichtig taalbeleid kunnen voeren, waardoor enerzijds de ontwikkeling van kwalitatief hoogwaardige Engelstalige opleidingen wordt bevorderd en anderzijds de positie van het Nederlands als taal van cultuur en wetenschap gewaarborgd blijft. Het advies is geschreven op verzoek van de Eerste Kamer.
 

Standpunt over Taalbeleid in het Hoger Onderwijs in Europa, CercleS 2009
In 2009 heeft CercleS een aantal focusgroepen opgericht, waaronder een groep die zich richt op Taalbeleid.

ONDERZOEK, RAPPORTEN, ARTIKELEN

Taalbeleid in het hoger onderwijs, de hype voorbij? Peters, E. en Tine van Houtven. Acco. (2010). Een inventarisatie van de maatregelen die verschillende instellingen voor hoger onderwijs hebben genomen in het kader van taalbeleid. Ook worden er aanbevelingen geformuleerd.

The importance of language competences for employers. Library and Language Centre Maastricht University, december 2012
This report explains the results of the research that has been conducted in order to find out how important language competencies are in a recruitment process of the most popular employers of the graduates of the Maastricht University.

Gezamenlijke beleidsvisie OCW-VSNU, Internationale mobiliteit in het wetenschappelijk onderwijs, conceptversie 9 mei (2012 ?)
Pre-ambule, status van deze visie:"In deze gezamenlijke beleidsvisie geven het ministerie van OCW en de VSNU hun huidige lange termijn visie en ambitie op internationalisering van het wetenschappelijk onderwijs. De visie moet worden gezien in samenhang met het bestaande OCW-beleid zoals geschetst in de Kamerbrieven over internationale mobiliteit van december 2011
en mei 2012. Gezien de demissionaire status van het kabinet, betreft dit document een eerste aanzet en richting van een gezamenlijke visie".

CPB-notitie De economische effecten van internationalisering in het hoger onderwijs, 2012. Uitgevoerd op verzoek van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; Gezamenlijke beleisdvisie OCW-VSNU .

Talige startcompetenties hoger onderwijs Door: Helge Bonset en Hans de Vries. Uitgave: Enschede, 2009 Stichting leerplanontwikkeling (SLO), Enschede. In opdracht van Nederlands-Vlaams Platform Taalbeleid Hoger Onderwijs.
De publicatie geeft een beschrijving van de competenties die beginnende studenten op het gebied van taal moeten hebben om hun studie aan hbo of universiteit succesvol te kunnen starten en vervolgen. De beschrijving kan instellingen voor hoger onderwijs helpen hun taalbeleid te richten en in te richten en biedt het toeleidend onderwijs zicht op datgene wat hun leerlingen en deelnemers aan taal- en taalleerbagage nodig hebben in het hoger onderwijs.

Talige startcompetenties in het hoger onderwijs (Hans de Vries & Wilma van der Westen). Bundel 23 Het Schoolvak Nederlands (2009). Over de functie van een beschrijving van talige startcompetenties door het Nederlands-Vlaamse platform ‘Taalbeleid Hoger Onderwijs’

Cito: Referentieniveaus en aanvang hoger onderwijs. Bijspijkeren bij de overgang naar hoger onderwijs
Jan van Weeren (hoofdstuk 1 t/m 6); Peter Hermans en Cor Sluijter (hoofdstuk 7). Jaar ???
Bij de overgang van middelbaar onderwijs naar hoger onderwijs in Nederland zijn discrepanties gesignaleerd tussen de aanwezige wiskundige kennis en taalvaardigheid van studenten en de verwachte of vereiste kennis en vaardigheid.

Make it in the Netherlands! Advies over binding van buitenlandse studenten aan Nederland. Aan de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Commissie Arbeidsmarkt- en Onderwijsvraagstukken, 2013

B